Music for Prague is op dit moment offline en kan dus niet gedownload worden.
Hieronder kan je de 4 delen van Music for Prague downloaden. De mp3's zijn in het totaalmeer dan 20 megabyte groot, dus je gaat best als volgt te werk: duw met je rechtermuisknop op onderstaande links. Selecteer telkens "Opslaan als...", kies de locatie en klik op opslaan.
Karel Husa (Praag, Tsjechië 7 augustus 1921) is een Amerikaans componist, muziekpedagoog en dirigent van Tsjechische herkomst.
Zijn studie deed hij vanaf 1939 aan het Praags conservatorium bij Jaroslav Ridky alsook orkest-directie bij Metod Dolezil en Pavel Dedecek. Verder studeerde hij aan de Muziekacademie te Praag. Toen hij die studie in 1947 voltooid had, ging hij naar Parijs om aan het Conservatoire nationale en de Ecole normale de musique verder te studeren. Daar waren zijn leraars Arthur Honegger en Nadia Boulanger voor compositie, Andre Cluytens, Eug? Bigot en Jean Fournet voor orkest-directie.
In 1954 werd hij professor voor compositie en muziektheorie aan het Department of Music of Cornell University te Ithaca, New York en hij bleef daar tot 1992. Verder doceerde hij aan het Ithaca College compositie. In 1974 werd hij lid van de Koninklijke Belgische Academie van de schoone kunsten en weetenschapen. Meerdere malen werd hij onderscheiden als eredoctor, zo o.a. aan het Coe College, de Cleveland Institute of Music, de Ithaca College en de Baldwin Wallace College.
In 1959 werden hem de burgerlijke rechten van de Verenigde Staten van Amerika toegekend.
Voor hem persoonlijk en voor zijn werken kreeg hij vele prijzen en onderscheidingen. Voor zijn String Quartet No. 3 werd hij in 1969 met de bekende Pulitzer Prize onderscheiden en voor zijn Cello Concerto kreeg hij in 1993 de Grawemeyer Award.
Zijn Music for Prague 1968 behoort tegenwoordig met meer dan 7000 uitvoeringen wereldwijd tot het hedendaagse repertoire van het symfonisch blaasorkest. Hij heeft zelf een orkestversie geschreven en hij vond het leuk een oude droom te verwezenlijken, toen hij de orkestversie op 13 februari 1990 te Praag met het Tsjechisch Philharmonisch Orkest kon uitvoeren.
Hij dirigeerde mestal bekende orkesten in New York City, Boston en Washington alsook in Parijs, Londen, Praag, Z?h, Hongkong en Singapore. Ieder jaar bracht hij een bezoek aan 20 verschillende universiteiten voor gastdirecties en clinics voor zijn muziek.
Enkele fotootjes en tekeningen
Er schiet niet meer veel beeldmateriaal over van de Schilderijententoonstelling. Maar onderstaande figuren wilden we je zeker niet onthouden!
Lees de achtergrondinfo van Alex!
Alex gaf enkele repetities geleden een interessante uiteenzetting over de Schilderijententoonstelling. Wie echt wil weten waar het werk over gaat, hoe het gespeeld moet worden en wat de achtergronden zijn: lees snel de samenvatting!!!
Klik daarvoor hier en download het word-document. Als er niets gebeurd, klik dan met je rechtermuisknop hier en selecteer 'doel opslaan als'. Druk daarna op 'open'.
Muziekfragmenten
Download via de site enkele delen uit de Schilderijententoonstelling. De volledige versie kan je krijgen door hieronder het formulier in te vullen. We hebben helaas niet genoeg schijfruimte om het volledige werk in zijn geheel op KHP-net te zetten
Koop de schilderijententoonstelling op cd
Vul hieronder het formulier in en je krijgt één van de volgende repeitities een cd met een opname van de Schilderijententoonstelling. Het gaat om een opname van de Berliner Philharmoniker (olv Herbert Von Karajan) die ons bezorgd is door Alex. De kostprijs bedraagt een luttele € 0,5. Invullen dus ! :-)
Ik,



bestel hierbij de cd voor € 0,5.
Opmerkingen / vragen:
Van Rapsodie Espagnole verscheen op deze website al een bijzonder interessante recensie van Paul Serotsky. Over de Schilderijtentoonstelling schreef hij hetvolgende:
Mussorgsky (1839-1881)/Ravel (1875-1937) - Pictures at an Exhibition
Modest Mussorgsky was the wild man of the Mighty Handful, a man whose coarseness is something he perhaps picked up in the army. The correspondingly rough-hewn, uncivilised quality of his music was, in his day, considered a Bad Thing. Unfortunately, though I suppose he wouldn't see it this way, his predisposition to over-indulgence in another habit picked up in the army meant that he started far more than he finished. Following his early - if not entirely surprising - demise, the commendably dedicated Rimsky-Kosakov and Glazunov prepared completions of some of his best work. Their well-intentioned “improvements”, however, ironed out what they saw as flaws. Nowadays, we are busy putting the “flaws” back in.
As a tribute to his friend, the artist Victor Hartmann who died suddenly in 1873, Mussorgsky composed this astonishingly graphic suite. Being for solo piano - and completed! - it escaped his friends' ministrations, thus retaining the unsettling earthiness of the real Mussorgsky. Pictures at an Exhibition is a classic of the virtuoso piano repertoire, an epic work of such grand conception that its orchestral potential was immediately recognised. Yet, if so, how could Rimsky-Korsakov, that orchestral magician par excellence, have considered it “untranslatable into any other medium”? Probably because, with his unparalleled understanding of tone colour, he appreciated more than most why Mussorgsky had chosen the solo piano - for example, think about the palpable desperation in the efforts of even the finest pianist during the coda!
In 1891 Tushmalov, ignoring his teacher's edict, orchestrated seven “pictures”, instituting an immense roster of orchestrators which includes Henry Wood, Leo Funtek, Ravel, Leonidas Leonardi, Caillet, Stokowski, Toscanini, Nikolai Golovanov, Walter Goehr, Vladimir Ashkenazy, and Lawrence Leonard (who neatly reworked it into a piano concerto). There's Elgar Howarth's effective brass and percussion version, and Arthur Wills' impressive, but less effective, organ transcription. Curiosities include a salon orchestra arrangement by Giuseppe Becce, and Emerson, Lake and Palmer's rock band adaptation.
Why, you might ask, with such a varied menu, are we hearing “the Ravel” orchestration yet again? Well, it is arguably the finest: a true orchestration (neither adding nor subtracting any significant notes), the model for several others, and the victim of numerous “tartings up”. A prodigious feat of instrumental imagination, its colours vividly harmonise with the images, whether romantic or raging, fleet or ponderous, humorous or downright ugly. If it has a fault, it is, as Stokowski intimated, that it is “too French”, simply too refined to truly reflect the rude original, emulating Rimsky-Korsakov's and Glazunov's general misconception. But, really, that's not a fault, is it? Any “arrangement” is necessarily a different work, to be judged on its own merits.
The felicities of Ravel's orchestral art are too numerous to detail here. The following resumé is, literally, a guide, because the work’s layout resembles a stroll round the exhibition, with the recurring “promenade” representing Mussorgsky's reflections on the exhibits - and his lost friend. In this latter respect, I find it particularly significant that after Limoges the work suddenly clouds over, becomes less of a “stroll” and more of a progression - through blackness, limbo and lurid nightmare, emerging into “desperate” incandescence.
Promenade 1. Ravel's abiding interest in ancient forms probably prompted his use of a ceremonial solo trumpet and brass chorale - though it's almost as if the composer has entered in the train of a pride of civic dignitaries!
The Gnome. Mussorgsky's glowering interpretation of this curious sketch for a toy nutcracker shaped like “a little gnome walking awkwardly on deformed legs”, reinforced by Ravel's clacking xylophone, weird string effects and ponderous brass, generates a menace not normally expected from a design for a Christmas tree bauble. Does the warped allusion to the promenade at the climax represent the composer suffering the guilt of bereavement?
Promenade 2. Chastened, he moves on, a pensive solo horn alternating with equally pensive woodwind, calming the mood for . . .
The Old Castle. Hartmann's painting focuses on a troubador singing before the castle. Ravel colours in the singer using a saxophone, which back in the twenties was (and today still is) appropriately associated with popular music. The soulful lyric gradually becomes disfigured by strangely dissonant surges: is his unease rekindled by some disquieting aspect of this picture?
Promenade 3. The composer wrenches himself away, his thoughts a turmoil of trumpet and miry black bass, stirred by descant violins, until he is abruptly diverted (horns and pizzicato strings) by another painting:
In the Tuileries Gardens. In this fanciful little scherzo, chattering woodwind echo the squabbling of wobbly infants at play. The trio (on strings) is meant to suggest gossiping nannies, amongst which the woodwind kiddies dart mischievously.
Bydlo. Refreshed, the composer admires Hartmann's illustration of a Polish ox-cart (its sheer bulk perceptively represented by solo euphonium) lumbering past in an earth-shaking climax before receding into the distances of the mind's eye.
Promenade 4. Dazed by the primitive power of this basic form of transport, the composer wanders, lost in thoughts coloured by high woodwind and celeste. The impression resonates in horns and basses, the next picture gradually intruding on his consciousness.
Ballet of the Unhatched Chicks. This is from sketches for the decor of the ballet Trilbi. The fledglings in question are canaries (not that it makes the slightest difference). Even more comical than the Tuileries, this is for me the one passage where the piano “wins” hands down, although Ravel's supremely filigree scoring remains an absolute delight.
Two Polish Jews, Rich and Poor (a.k.a. Samuel Goldenberg and Schmuyle) . . . are two pencil drawings, gifts to Mussorgsky from Hartmann. The “Rich” resounds in corpulent unison strings and woodwind, the “Poor” wheedles on emaciated muted trumpet. They coalesce, a second trumpet joining for the climax (observe the trumpeters: the second will look pink, the first nearer purple).
[Promenade 5 - often omitted in some arrangements]
The Market Place at Limoges. At the heart of the exhibition, pictures come thick and fast. The bitching women of the bustling market place gabble furiously in music of astonishing virtuosity, Ravel splashing flashes of brilliant colours across his aural canvas. The composer turns, and is stunned to confront . . .
The Catacombs (Sepulchrum Romanum). Hartmann pictured himself within a fearsome vision of the subterranean passages of Paris. Ravel transmutes Mussorgsky's piano chords into colossal pillars of brass, bloodcurdlingly baleful (perhaps surprisingly, preserving the characteristic pianistic split chords). The mesmerised composer, in . . .
Cum Mortuis in Lingua Mortua (With the Dead in a Dead Language) . . . imagines himself inside the picture. This most introspective promenade is both nadir and core of the work: Mussorgsky communes with his dead friend's soul. In the manuscript, he explained, “The creative spirit of the dead Hartmann leads me towards skulls, but apostrophises them - the skulls are illuminated from within.” Ravel's scoring is chilling: a glacial tremolando, the promenade creeping on woodwind, then descending into the blackest bass over which the tremolandos slither like worms. Through melancholy sighs, the scene fades onto gentle catharsis.
The Hut on Fowls' Legs. The composer is rocked by another grotesque, a drawing of an elaborately carved clock representing Baba Yaga, the legendary tiny witch who feasts on human bones. Mussorgsky's imagination runs amok, releasing her to soar, screeching, through storm clouds. Ravel likewise abandons subtlety, letting rip with fusillades of big orchestral guns.
The Great Gate of Kiev. Finally, sketches Hartmann made for a projected (but never realised) monumental gate with a cupola shaped like a slavonic helmet. Mussorgsky's music, even without Ravel's sumptuous enlargement, suggests something greater than Hartmann's modest design. The themes, redolent of Russian Orthodox chants, eventually combine with the promenade. It's almost as if, having mourned in the Cum Mortuis, this picture had evoked a reassuring vision of passing with his friend (and maybe a couple of bottles of vodka?) through the great gate of paradise itself - a catharsis on the very grandest scale! Ravel's scoring is massive indeed, but cunningly stratified so that the preparatory climaxes do not upstage the denouement - a veritable coruscation of clanging bells and searing tamtam.
Schilderijententoonstelling (HO)
Ballet of the Unhatched Chicks: originele tekening van Harttman
Baba yaga: Naast schilder was Harttman ook ontwerper. De tekening hierlangs laat een ontwerp van een klok zien, gebaseerd op de Hut op Kippenpoten van Baba Yaga.
The Great Gate of Kiev: Harttman was ook architect. Dit is een originele tekening van Harttman van de poort van Kiev. Hij ontwierp de poort voor een prijsvraag van de stad Kiev . Die zocht een nieuwe stadspoort ter ere van 4 april 1866, de dag waarop een nihilist een bom naar de tsaar had gegooid. De poort is nooit gebouwd.
The Catacombs (Sepulchrum Romanum): origineel schilderij van Harttman
Maurice Ravel
versus
Modest Mussorgsky
Het graf van Mussorgsky in Sint Petersburg
Mussorgsky's vriend, de kunstenaar Harttman


Onderstaande programma's werden samengesteld door Alex voor het muzikale werkjaar 2006-2007. Deze programma's worden nooit in zijn geheel uitgevoerd. Voor elk concert worden stukken uit de verschillende programma's gekozen en dit naargelang de aard van het concert.
CONCERTPROGRAMMA I
Deze werken dienen om het orkest verder te ontwikkelen. Het zijn serieuze klassieke werken. Om het in Aurum X-termen te zeggen: werken die voor de pauze gespeeld worden en een inspanning vragen van het publiek.
Ouverture 'Richard III'
Figures Sonores
Tre Sentimenti
(solist op basklarinet: Geert Schoofs)
Music for Prague 1968
War-concerto
(solist op klarinet: Johan Schols)
CONCERTPROGRAMMA II
Schilderijententoonstelling




Moessorgski
NA DE PAUZE PROGRAMMA
Deze werken dienen om het publiek te entertainen en kunnen eventueel zonder onderbreking achter elkaar gespeeld worden. In Aurum X-termen dus typische 'na de pauze muziek'
Opening
Also Sprach Zaratustra
Volksmuziek
Granada
Dunia Piris
KLezmer Classics
Klassiek
Eine Kleine Nachtmusik (clarinetchoire)
Senza Mamma (solist: sopraan)
Oh Babbino Caro (solist: sopraan)
Opera/musical/Amerikaans
Somewhere (koper & slagwerk)
On the Town
Ballade
Summertime
A tribute to George Gerhswin
MOZARTPROGRAMMA
Eine Kleine Nachtmusik (clarinetchoire)
March der Janitcharen uit 'Die Entführung' KV384
(koperensemble & slagwerk)
Die Entführung aus dem Serial KV384
(2 hobo's, 2 klarinetten, 2 hoorns, 2 fagotten)
KERSTPROGRAMMA
The Call of Christmas
Nu zijt Wellecome (samenzang)
Wij komen tezamen (samenzang)
Christmas Night
Christmas Variations
A Christmas Carol Fantasy
Stukjes met sopraan
Senza Mamma
O Mio Babbino Caro
Christkind
Die Hirten
Christbaum
De herdertjes
The Holy City
Eine Kleine Nachtmusik deel 1
Concertpiece no. 2
Christmas Fantasy
Chanson de Matin
Stille Nacht (samenzang)
Midden in de winternacht (samenzang)



Paul Gibson
Henk Badings
Jan van der Roost
Karel Hussa
Dirk Brossé
R. Strauss/J. Pommer
A. Lara/ K. Morita
R. Talens Pello
J. de Meij
W.A. Mozart
G. Puccini/A. Oosterbaan
G. Puccini/J. van de Braak
L. Bernstein
L. Bernstein
J. Pommer
G. Gerhswin/ J. Pommer
G. Gerhswin/G. Buitenhuis
W.A. Mozart
W.A. Mozart
W.A. Mozart/Bew. Donaueschingen
W. Stalman
Arr. R. Kernen
R. Kernen
Arr. T Hoshide
G. Puccini/ A. Oosterbaan
G. Puccini/ J. van de Braak
P. Cornelius/AS
P. Cornelius/AS
P. Cornelius/AS
Arr. J. Pommer
Adams/ Arr. M. Koekelkoren
W.A. Mozart
F. Mendelssohn Bartholdy/H Gee
Y. Iwai
E Elgar/ De Meij
Hendrik Herman Badings is zonder twijfel de grootste Nederlandse componist voor de blaasmuziek. Alex Schillings stelde onderstaand dossier samen over deze opmerkelijke componist. Je komt hieronder meer te weten over zijn leven, zijn relatie met elektronische muziek (!), zijn invloeden en composities... Een echte aanrader voor elke muzikant van het Harmonieorkest!!!
Enkele stellingen over muziek van Henk Badings...
"Muziek is vóór alles een aardse kunst"
Zijn oeuvre is van een zeldzame uitgebreidheid en veelzijdigheid
Zijn muziek kan men het beste omschrijven als “Romantisch – Expressief”
Zijn techniek diende slechts één doel:
het scheppen van een schijnwereld voor zowel de luisteraar als ook de uitvoerenden
Zijn muziek was “de spiegel van zijn tijd”
Badings is een eclecticus:
“Haalt het beste uit alle voorhanden zijnde stelsels”
Zijn oeuvre heeft een internationaal allure. Met name de periode 1930 – 1960.

Biografie
Hendrik Herman Badings werd geboren in Batavia in 1907. Zijn vader was officier. Zijn vader stierf vrij snel na aankomst op Java. Henk kwam op 5 jarige leeftijd in aanraking met militaire blaasmuziek. Het spelen van de symfonische transcripties maakten veel indruk op hem. Op 8 jarige leeftijd keerde Henk en zijn moeder terug naar Nederland.
Zijn moeder stierf en Henk kwam als wees in een domineesgezin te Gorinchem terecht. Na de middelbare school ging hij studeren aan de TH te Delft voor mijnbouwkundig ingenieur/geologie..
Badings’ pleegouders wensten geen muziekstudie. Badings had een permanente angst te belanden in een weeshuis als hij niet luisterde naar de regels van zijn pleegouders. Ondanks zijn zeer strenge opvoeding en vaak zeer eenzame en droevige jeugd kon hij toch een aantal van zijn grote talenten ontwikkelen, zoals componeren, boetseren, schilderen, dichten. Deze angst en de vele droevige ervaringen , waaronder het overlijden van zijn ouders op zeer jonge leeftijd achtervolgen Badings tijdens zijn totale componistenleven. In het schrijven van langzame delen , vaak nocturnes, liet Badings zich leiden door deze droevige gevoelens en gedachten.
Als componist was Badings een autodidact. Zijn eerste composities waren twee vioolsonates. Zijn Eerste Symfonie was reeds voltooid alvorens hij een aantal lessen volgden bij Willem Pijper. Arztnesius zorgde voor de contacten met het Koninklijk Concertgebouw Orkest en de uitvoering van z’n Eerste Symfonie kon plaats vinden. (1930 première in A’dam). Zijn Tweede symfonie werd opgedragen aan Eduard van Beinum. Z’n Derde, z’n bekendste en meest indrukwekkendste symfonie werd opgedragen aan Willem Mengelberg. Tijdens het jubileum voor 40 jarig dirigentschap bij het KCO dirigeerde Willem Mengelberg deze Derde Symfonie. Het KCO nam deze symfonie regelmatig mee op concerten in het buitenland. Dat zelfde gold ook voor zijn Symfonische Variaties en het Dubbelconcert voor twee violen orkest.
In 1934 besloot Henk Badings zijn leven te wijden aan het componeren. Hij doceerde te Rotterdam, Stuttgart, Pittsburg, Adelaïde (Australië). Badings trouwde twee maal. Hij kreeg 3 Kinderen waaronder Vera de voormalige harpiste van het KCO.
Badings als student en docent
Als autodidact behoort hij eigenlijk niet tot een vaste groep zoals Hendrik Andriessen en Willem Pijper. Belangrijke tijdgenoten waren Willem van Otterloo en Piet Ketting.. Tezamen met Mathijs Vermeulen, Willem Escher, Willem Pijper en Ton de Leeuw behoort hij tot de belangrijkste componisten van de 2oste eeuw in Nederland.
De invloed van Pijper is alleen te vinden in zijn jongere werken en met name op het gebied van de polymetrische passages.
Zijn bekendste leerlingen waren Ton de Leeuw (ook leerling van Louis Toebosch) en Hans Kox .
Badings werd als docent door vele jonge componisten bezocht. Door zijn immense oeuvre en beheersing van de vele genres (en compositietechnieken) wist men Badings altijd te vinden als docent. Zijn invloed is groots te noemen in de ontwikkeling van de Nederlandse muziek.

Na WOII
Henk Badings had een grote interesse in het experimenten met elektronische muziek. Het traditionele pad bleef hij bewonderen. Hij ging werken in het laboratorium voor akoestiek bij Philips in Eindhoven. (Philips Laboratorium/elektronische studio). Badings doceerde akoestiekleer aan de universiteit van Utrecht. (Muziekwetenschappen).
Hij heeft veel pionierswerk verricht op het gebied van de radiofonie en de geluidsbronnen. Aan deze universiteit realiseerde hij een studio voor elektronische muziek. Daarvoor ontving hij in 1954 de Prix Italia. Naast deze prijs ontving Badings vele nationale en internationale prijzen.

Zijn Composities
Badings hechtte veel waarde aan de klassieke hoofdvorm. Het toonmateriaal is niet klassiek. Zijn muziek is een spiegelbeeld van emotioneel klankgevoel. Zijn langzame delen (vaak 2e deel) zijn nocturnes. Hierin klinkt vaak angst. Ontstaan in de jeugd. Tijd en plaats van ontstaan van deze langzame delen bepalen de sfeer. Invloeden van buitenaf waren vaak bepalend voor de inhoud van de nocturnes.
Badings gebruikt zijn tonaliteit om een bepaalde unieke stemming op te roepen.In z’n oeuvre zitten onvermijdelijke overeenkomsten binnen zijn thematische en ritmische elementen. Zeer karakteristiek voor zijn thematische aanpak is het gebruik van de octotonische toonladder. Badings maakte een combinatie van de lydische en mixolydische toonladder. De lydische kwart en de mixolydische septiem. Vanuit zijn jeugd neemt hij een grote voorliefde voor de diatonische pentatoniek. De Hindoe – Indonesische muziek ligt daarbij aan de basis.
Thema en motieftechnieken zijn mogelijk met klassiek vormen. Vormvrijheid geldt voor zijn programma muziek.
Zijn bitonale of soms polytonale aspecten hebben niet als gevolg dat de monotonale functionaliteit uit het oog verloren wordt. Badings’ muziek karakteriseert zich door zijn niet aflatende neiging tot experimenteren met toonsystemen, klankeffecten en media.
Henk Badings schreef 42 composities voor blaasorkest. Twee symfonieën, 13e en 15. Z’n laatste compositie was zijn tromboneconcerto. Z’n eerste compositie voor blaasorkest is z’n Saxofoonalto Concerto uit 1951.
Niveau van de Nederlandse orkesten en dirigenten
Rocus van Yperen vroeg of Badings zitting wilde nemen in juryteams voor de concertconcoursen voor blaasorkesten. Badings kreeg via deze weg een duidelijk beeld welke mogelijkheden de Nederlandse blaasorkesten hadden. Met name in het slagwerk was een nieuwe impuls meer dan welkom. Dit was voor Badings de drijfveer om nieuwe composities voor amateur-orkesten te willen schrijven.
Na het schrijven van het bekende “Lieshout en zijn Molens” uit 1976 neemt Badings in het repertoire van de Nederlandse blaasmuziek een bijzondere rol in. Zijn Transitions had al voor een regelrechte revolutie gezorgd en menig blaasmuziekliefhebber zag de muziek een heel ander kant op gaan.
Zijn laatste compositie, het Tromboneconcerto, schreef hij in 1987. Het jaar dat hij stierf.
2007 Badingsjaar
In 2007 wordt deze belangrijke toonkunstenaar herdacht in vele concerten. Ook staan een aantal van zijn composities op de lijst van verplichte werken voor de komende concertconcoursen in 2007. Het WMC heeft voor de Open Nederlandse Kampioenschappen voor harmonie en fanfareorkesten in de concertdivisie Badings’ laatste werk voor fanfareorkest gekozen als verplichtwerk. “Sagas”.
Alex Schillings

De organisatie van het Wereld Muziek Concours gaf Badings de opdracht het verplichte werk voor de eerste editie van de Concertdivisie in 1985 te schrijven.
Het werd “Figures Sonores”.
In memoriam Frigyes Hidas
Op 7 maart stierf de bekende Hongaarse componist Frigyes Hidas. Alex Schillings schreef een 'in memoriam'
voor diverse Nederlandse muziekbladen. Hieronder kan je het stuk lezen.
In Memoriam Frigyes Hidas
De Hongaarse componist Frigyes Hidas stierf op 7 maart 2007 te Boedapest en behoort tot een van de meest prominente componisten voor de blaasmuziek uit de Balkan. Hidas was de eerste president van de WASBE/afdeling Hongarije.
Voor de WASBE schreef hij in 1983 de “WASBE Fanfare”. Deze compositie werd uitgevoerd tijdens de WASBE conferentie in Skien, Noorwegen.
Hidas werd in 1926 in Boedapest geboren. Hij studeerde compositie aan het Ferenc Liszt Academy of Music bij Janos Visky. Meer dan 15 jaar was hij werkzaam in de functie als directeur van het Nationaal Theater (1951 – 1966) en in de jaren zeventig directeur van het Opera Theater. Na het beëindigen van deze functie (1979) werd hij free-lance componist. Hidas schreef voor vele genres muziek, zoals opera’s, balletten, concerti, orkestmuziek, kamermuziek en uiteraard leverde hij een bijzondere bijdrage aan het repertoire voor blaasorkest. Muziek voor film, theater en televisie was hem niet vreemd.


Dit genre vindt men dan ook veelvuldig terug in zijn werken voor blaasorkest.
Een aantal van Hidas’ werken hebben op menig concertprogramma gestaan.
Composities als The Undanced Ballet was enkele jaren verplicht in de 1ste divisie.
Hidas had geen enkele moeite om solowerken te componeren om vervolgens alle mogelijkheden van het solo-instrument de revue te laten passeren. Enkele van zijn solowerken zijn parels voor het solo-instrument maar zeker ook voor de orkestbegeleiding: Concerto for Bassoon and Wind ensemble, Concerto no 1 for Piano and Symphonic Band, Flute Concerto no 2. Voor fluit, hobo, altsax en klarinet schreef Hidas meerdere solowerken die aan de solist hoge eisen stelt.
Voor grotere orkesten schreef hij dankbare werken die een welkome aanvullving zijn op ons huidige repertoire voor harmonieorkest.
Hidas kreeg naam met zijn “Coriolanus”. Delen van dit werk gebruikte hij naderhand in zijn “The Undanced Ballet”. Voor de Koninklijk Erkende Vriezenveense Harmonie schreef hij “Vjenne”.
Meer exceptionele combinaties met blaasorkest ging Hidas niet uit de weg.
Wat te denken van een compositie voor Koor, orgel en harmonieorkest, Koperkwintet en harmonieorkest en zijn vaak geroemde Requiem met harmonieorkest. Combinaties met solostrijkinstrument en blaasorkest kon hij prachtig vertalen in mooi solowerken.
Hidas bezat, evenals Henk Badings, de genialiteit om precies in de kern van het instrument en met al haar mogelijkheden te schrijven waardoor zijn orkestraties altijd helder, transparant en sluitend klinken.
Zijn muzikale stijl is gebaseerd op de Romantiek.
Hidas zei zelf: “Ik ben de laatste Hongaarse Romanticus”. Hidas’ idioom is toegankelijk maar met een eigen handschrift.
Zijn stijl voor blaasorkest is een combinatie van romantiek, volksmuziek en theatermuziek.
Als persoon zullen allen die hem persoonlijk gekend hebben hem missen vanwege zijn jovialiteit en levensvreugde.
Als componist laat Frigyes Hydas een prachtig oeuvre achter dat nog menig concertprogramma zal sieren. Menig muzikant zal nog veel speel- en musiceervreugde beleven bij het uitvoeren van zijn composities.
Links naar een uitvoering van Rossini's William Tell ouverture (deel 1) (deel 2) door de Berliner Philharmoniker met Claudio Abbado