Koninklijke Harmonie van Peer vzw.
Programma Harmonieorkest (Concertafdeling):
verplicht werk
(Klik op een werk of componist voor meer info!)
Jules Strens
De Belg Jules Strens was een veelzijdig man: componist, organist en dirigent. Alhoewel hij van 1907 tot 1911 aan het “Koninklijke Conservatorium van Brussel” notenleer en viool studeerde, er de orkestklas volgde en daarna van Paul Gilson raadgevingen meekreeg, was hij als componist hoofdzakelijk autodidact. In 1922 werd hij als violist opgenomen in het orkest van de “Koninklijke Muntschouwburg” en van 1931 tot 1934 was hij ook dirigent van de “Association Symphonique de Bruxelles”. Daarnaast was hij nog werkzaam als kamermusicus in het door hem gestichte “Strenskwartet” en na de Tweede Wereldoorlog als organist te Ukkel.
Jules Strens stond aanvankelijk onder invloed van “Richard Strauss”, wat ondermeer blijkt uit de symfonische variaties “Gil Blas”. Daarna leunde hij meer aan bij het Franse impressionisme, waarvan hij de zin voor een grillige melodische bouw of voor wisselende orkestrale kleuren overnam. Verscheidene van zijn composities werden met belangrijke prijzen bekroond.

Variaties op een Pentatonisch thema
Variations on a Pentatonic Theme
Zijn “Variations on a Pentatonic Theme” componeerde Rob Goorhuis in 1987 voor de Koninklijke Harmonie van Thorn o.l.v. Jan Cober. Het werk is opgebouwd uit vijf karaktervariaties op een pentatonisch (vijftonig) thema. Basiselementen van het thema zijn de dalende kleine terts en de dalend secunde, die in de loop van de compositie leiden tot het ontstaan van een brede melodie, die in de laatste variatie tot klinken komt. De eerste variatie doet denken aan een “minimal music” vanwege haar repeterende ritmische motieven. De tweede variatie heeft een explosief karakter; snelle akkoordbrekingen vormen de achtergrond voor zachte, solistische motieven. De derde variatie is een rustig middendeel met een langzaam koraalthema; er worden twee contrasterende sferen opgeroepen. De vierde variatie is een luchtig scherzo. De slotvariatie is een virtuoze finale met, volgens de componist, "alles erop en eraan". Verplicht werk WMC 2005 Concertafdeling.

Rob Goorhuis
Rob Goorhuis werd in 1948 te Amsterdam geboren. Aan de conservatoria van Utrecht, Arnhem en Tilburg studeerde hij piano, orgel, koor- en orkestdirectie en hoofdvak theorie.Gedurende vele jaren was hij actief als dirigent en instrumentalist. Hij dirigeerde diverse koren en orkesten, waarmee hij naast concerten ook radio- en televisieopnames verzorgde. Het Utrechts Begeleidingsorkest stond enige jaren onder zijn leiding.
Als organist en klavecinist trad hij op door geheel Nederland, maar hij gaf ook concerten in België, Frankrijk, Italië, Duitsland en Polen. Vaste ensembles, waarvan hij deel uitmaakte, waren: “Ensemble Sanssouci” en “Dialogo Musicale”.

Bijzondere concerten gaf hij met het “Hannover Knabenchor” tijdens het “Festival Wallonie” in Luik en met “Dialogo Musicale” in het “Festival Oude Muziek” te Utrecht. Voor de “Westdeutsche Rundfunk” speelde hij o.a. delen uit het “Buxheimer Orgelbuch”. Hij maakte internationale tournees met de Utrechtse Studentencantorij en was gedurende enige jaren de vaste continuospeler van het “Utrechts Barok Consort”.
In 2003 ontving Rob Goorhuis de “Gerard Boedijn Penning” vanwege zijn verdienste voor de Nederlandse blaasmuziek.
Rob Goorhuis is directeur van de “Biltse Muziekschool” te Bilthoven.
Hij is bovendien actief als jurylid bij concertwedstrijden van blaasorkesten. Behalve bij de reguliere concoursen in Nederland jureerde hij o.m. bij het “Wereld Muziek Concours” te Kerkrade, het “Eidgenössisches Musikfest” te Fribourg, de “Nederlandse Brassband Kampioenschappen” te Zutphen, “the Swiss Open Contest” en the “World Band Festival” te Luzern.
Vanaf 1977 is Rob Goorhuis zich meer en meer gaan toeleggen op het componeren. Daarbij spelen de blaasmuziek en de kerkmuziek de hoofdrol. Vele composities zijn inmiddels verschenen bij verschillende uitgevers.
Devils Island
In de Atlantische Oceaan, net voor de kust van Frans-Guyana liggen de ‘Îles du Salut’. Het meest zuidelijke van de drie, een klein rotsachtig eiland, zou de geschiedenis ingaan als de meest beruchte gevangenis aller tijden…
1852. Keizer Napoleon III opent voor het eerst deze Franse strafkolonie. Duizenden politieke gevangenen worden veroordeeld tot dwangarbeid en vanuit Frankrijk verbannen naar de ‘hel op aarde’. De meeste onder hen zullen nooit terugkeren…
Devil’s Island opent met een dreigend noodlotthema in vibrafoon en klokkenspel, gevolgd door een klaagzang in de fagotpartij.
Het krijgshaftige middengedeelte symboliseert de zovele ontsnappingspogingen uit deze verschrikkelijke opsluiting, af en toe zelfs vergezeld van een sprankje hoop. Maar tevergeefs…
Door de sterke zeestromingen rondom het eiland is ontkomen bijna uitgesloten!
Het noodlotthema neemt hierdoor een meer uitzichtloos karakter aan in een canon tussen euphonium en flügelhorn.
Nadat vibrafoon en klokkenspel voor de laatste maal opduiken, horen we nogmaals het thema, door fluit en basklarinet.
Met opnieuw de klaagzang, nu in de engelse hoorn, sterft de gelaten sfeer geleidelijk aan uit tot een doodse stilte…

Momenteel studeert hij nog Hafabra-directie bij Norbert Nozy, Symfonische directie bij Silveer Van den Broeck en Compositie bij Raphaël D'Haene. Sinds 2004 doceert hij muziekschriftuur aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel.
Ook als componist is hij bijzonder actief. Van zijn hand zijn creaties voor piano, kamermuziek: saxofoonkwartetten, harpkwartet en werken voor viool en piano. Zijn werken voor harmonie- en fanfareorkest werden op CD opgenomen en uitgegeven bij ‘Beriato Music’ en vinden reeds nationaal en internationaal erkenning.
Met zijn werk ‘Devil’s Island’ voor harmonieorkest won hij de compositiewedstrijd van het ‘Europees Muziekfestival voor de Jeugd’.

Wouter Lenaerts
Wouter Lenaerts (Peer, 1981) studeerde piano, orgel en saxofoon aan het ‘Noord Limburgs Instituut voor Muziek en Woord’ in Neerpelt. In 1999 werd hij laureaat piano van de wedstrijd ‘Axion Classics’ van Dexia.
Wouter zette zijn studies verder aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel waar hij reeds tweemaal ‘Meester in de Muziek’ werd; voor Piano bij Boyan Vodenitcharov, voor Muziekschriftuur (contrapunt en fuga) in de klas van Raphaël D'Haene, waar hij eerder al de prijs ‘Lunssens’ kreeg voor zijn examenresultaat van harmonieleer.
Wouter volgde Master Classes piano bij Kum Sing Lee, M. Speidel, Pilar Valero en André De Groote.
Recensie van Rapsodie Espagnole door Paul Serotsky
We bekijken de wereld altijd zwart-wit, niet? Muziekgeleerden spreken bijvoorbeeld van componisten die "rechtstreeks op papier" of "aan de piano" componeren. Daarna bekijken ze deze laatste categorie met erg veel wantrouwen, schimpend op het feit dat het pianospel uiteindelijk steeds het overduidelijke “skelet” van de vleesgeworden compositie zal blijven
Ravel, lange tijd student piano en compositie aan het Conservatorium van Parijs, werd één van de meest briljante pianocomponisten van de 20e eeuw. Toch lijkt het bijna niemand op te vallen dat veel van zijn schitterendste werken in feite gearrangeerde pianostukken zijn.
Deze ogenschijnlijk eindeloze lijst omvat "Alborada del Gracioso", "Ma Mère l'Oye", "Valses Nobles et Sentimentales" en "Le Tombeau de Couperin". Anderzijds zijn "Daphnis et Chloé", "Boléro" en "La Valse" niét gebaseerd op pianostukken. Valt u deze merkwaardigheid op? Als men er ons niet op attent maakte, zouden de meeste onder ons volgens mij nooit zulke muzikale skeletten bij Ravel ontdekken.
Ravel zijn ongelofelijk gevoel voor “kleur” benadert dat van een schilder. Sommige van zijn pianocomposities vormden een soort van “skelet” voor later orkestraal werk. Een beetje te vergelijken met de houtskoolschetsen die bij een beeldend artiest vooraf gaan aan een olieschilderij. Kunnen we – dit indachtig – weten welke werken houtskoolroots hebben en welke niet?
“Rapsodie Espagnole” (1908) is hiervoor min of meer een test. Drie van de vier bewegingen, die in hun geheel een Barok suite vormen (ouverture + dansen), werden “direct op het doek geschilderd”, terwijl eentje vooraf werd gegaan door een “houtskoolskelet”. Welk? Kijk eens of je zelf de beenderen van dat skelet kan ontdekken!
(Antwoord: Het deeltje “Habarena” komt oorspronkelijk van "Sites Auriculaires" voor 2 piano’s (1896) ;-) .)


Laat het timide karakter van Ravel dan al afkomstig zijn van zijn ouders, zijn roots dreven hem op een gegeven moment wel richting Spanje, waar zijn geremdheid plots wegviel, nog sneller dan de onderbroeken op een nudistenstrand.
De Iberische betovering die Ravel opliep tijdens een bezoek aan het land van zijn moeder leverde één van de meest sexy en passionele stukken uit de muziekgeschiedenis op. Een werk dat de tenen van het publiek doet krullen: Rapsodie Espagnole. Elke noot in het werk is doordrongen van een spanning tussen de lome, zwoele atmosfeer van het nachtelijke Spanje en de brandende passie die zich onderhuids schuilhoudt.
Deze passie smeult 3 delen lang (met hier en daar een opflakkering) als een broeiende vulkaan, die elk moment kan uitbarsten. Ravel onderdrukt de steeds sterker wordende seismologische krachten opnieuw en opnieuw… Maar uiteindelijk komt de muziek in een katalyserende ontknoping tot een ongelofelijke uitbarsting. Deze klinkt ontzettend spectaculair, net omdat ze er zo lang zat aan te komen.
Er is echter nog een ander merkwaardig aspect aan dit werk.
Ravel, zoon van een Zwitserse horlogemaker en zijn Baskische vrouw, was allerminst een stereotiepe Fransman. Hij kwam –door zijn afkomst- dikwijls ietwat geremd of preuts over. Hij was blijkbaar eerder gefascineerd door het mechanische dan door het vierletterwoord dat begint met een “s” ;-)
Om dit even te illustreren : Ravel hield bijvoorbeeld helemaal niet van het erotisch getinte balletscenario dat voor zijn “Bolero” werd geschreven. Hij wilde immers dat het technische in het werk domineerde.
1.
"Prélude à la Nuit". Dit deel is doordrongen van een dalende 4-noten melodie, een erg langzame nevel die de verschillende thema’s in een droom hult, kort onderbroken door de het sirenen-gezang van de klarinetten, later de fagotten
2.
"Malaguena". Een soort feest komt langzaam op gang, enkel onderbroken door de 4-notenmelodie, die zachtjes verdwijnt in de dromende nacht.
3.
"Habanera". Een intiem, sensueel beeld bereikt een getemperde maar kolkende climax, vooraleer te verdwijnen in een ademloze verwachting.
4.
"Feria". Een broos ritme prikt eerst zachtjes in de lucht, wordt daarna steeds losbandiger en geeft zich uiteindelijk over aan een fantastische dans. Dit carnaval gaat over in complete losbandigheid (echt waar - luister er gewoon naar!) en de 4-notenmelodie , nu bijzonder hoog, werkt zich op tot een gigantisch muzikaal orgie! Dat is nu eens iets wat ik een feest noem!

Maurice Joseph Ravel
Maurice Joseph Ravel werd geboren in op 7 maart 1875 te Ciboure, een kuststadje in de Franse Pyreneeën.
Hij was het eerste kind van een Zwitserse vader en een Baskische moeder en groeide op in Parijs. Zijn vader had in zijn jonge jaren prijzen gewonnen met zijn pianospel, maar had uiteindelijk voor het vak van ingenieur gekozen.
Zijn eerste muzikale lessen kreeg hij op zesjarige leeftijd van zijn moeder.
Toen Maurice zeer muzikaal bleek te zijn, moedigde vader Ravel hem aan en zorgde voor de beste muziekleraren.
Op zijn 14e, in 1889, was Maurice klaar voor het Parijse Conservatorium, waar hij piano en harmonieleer studeerde.
In 1895 verliet Ravel het Conservatorium om er twee jaar later weer terug te keren, ditmaal voor studies in compositie bij Gabriel Fauré en contrapunt en orkestratie bij A. Gedalge.

Ravel nam vijf keer deel aan de “Prix De Rome” (1900–1905), zonder deze één keer te winnen. In 1900 en in 1905 werd hij zelfs niet tot de eindronde toegelaten, hoewel hij in het laatstgenoemde jaar al een bekende componist was. Dit leidde tot felle discussies onder de muziekcritici.
Ravel had een enorme behoefte aan privacy en er is daardoor ook vrij weinig over hem bekend. Met name over zijn liefdesleven -hij is overigens nooit getrouwd geweest- zweeg hij in alle talen.
Maar ook het creatieve proces ging gehuld in een zweem van geheimzinnigheid, omdat hij een muziekstuk pas liet horen als alle puntjes op de “i” stonden. Elk van zijn werken verraadt echter een even grote aandacht voor het detail. Bij het componeren ging hij uitermate minutieus te werk, waarbij hij aan de piano iedere samenklank op zijn kwaliteiten onderzocht.
Hij zag muziek als zijn ware roeping en werkte in afzondering en opperste concentratie. Waarschijnlijk daarom kocht hij in 1920 een onopvallend landhuisje in Montfort-l'Amaury, waar hij zich van de wereld afzonderde om in alle rust te kunnen werken. Vanaf 1921 leidde Maurice Ravel een teruggetrokken leven te Montfort l'Amaury, nu en dan onderbroken door concertreizen in het buitenland.
Ravel had slechts drie leerlingen, accepteerde nooit een officieel ambt en had maar een paar vrienden. Wel maakte hij regelmatig concertreizen en in 1928 maakte hij vier maanden lang een Amerikaanse tournee. Daar ontmoette hij onder meer de componist George Gershwin, voor wie hij een grote bewondering had.
Maurice Ravel was een kleurrijke persoon. Steeds begaan met kinderen en dieren en een man van de wereld. Tevens was hij de trotse bezitter van een exclusieve verzameling stropdassen, volgens hem de "beste Verzameling stropdassen in Parijs".
Ravel behoorde tot een besloten kring van jonge artiesten, schrijvers en musici met de bijnaam "Les Apaches", die wekelijks bijeenkwam om te discussiëren, te feesten en gezamenlijke projecten te ondernemen.
Bij tijden was de club zo luidruchtig dat ze door boze buren werd gedwongen van locatie te veranderen.
Haar bijnaam hield de groep over aan een straatventer met wie ze een aanvaring had. De man riep: "Attention, les Apaches!" wat zoiets als "Vandalen!" betekent.


Maurice Ravels laatste rustplaats, het “Cimetière de Levallois-Perret”in Parijs
In 1932 kreeg Maurice Ravel een ernstig auto-ongeluk. Hij raakte gewond aan zijn hoofd en als gevolg hiervan kreeg hij veel last van slapeloosheid en coördinatieproblemen. Hij had al jaren last van slapeloosheid, geremdheid en ongecoördineerde bewegingen.
Na het ongeluk kreeg hij nog meer last van depressies, angsten en concentratiegebrek. Ook had hij problemen met praten en met zijn evenwicht.
Een hersenoperatie in 1937 mislukte en een week later, op 28 december, overleed hij in Parijs